Nieuws

Is agrarisch natuur­beheer doeltreffend voor de bescherming van boerenland­biodiversiteit?

Patrijzen foerageren - Wolfgang Kruck via Shutterstock
Bron foto: Wolfgang Kruck, Shutterstock
Samenvatting
  • Onderwerp
    Effectief akkervogelbeheer
  • Interessant voor
    Natuurinclusieve boeren, beleidsmakers
Bekijk de bronnen
Is het Agrarisch Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb) doeltreffend voor de bescherming van boerenlandvogels? Een casestudie over maatregelen gericht op akkervogels. We hebben de effecten van twee ANLb maatregelen gericht op akkervogels, uitgevoerd in drie provincies, onderzocht. De resultaten laten positieve effecten zien op het totale aantal vogels (aantallen individuen) en het totale aantal vogelsoorten. Uit onze resultaten blijkt echter ook dat niet alle soorten profiteren van de uitgevoerde maatregelen. Op basis van deze resultaten geeft de studie aanbevelingen voor de toekomstige uitvoering van ANLb maatregelen gericht op akkervogels in Nederland en daarbuiten.

Figuur 1: locatie van percelen met vogelwaarnemingen (in rood) (Grondard et al., 2023).

Is agrarisch natuurbeheer doeltreffend voor de bescherming van boerenlandbiodiversiteit?

Een aanzienlijk deel van de totale GLB-begroting (in 2020: 17,6%, d.w.z. 2,5 miljard euro) wordt gebruikt voor de financiering van agrarisch natuurbeheer in de Europese lidstaten om onder andere boerenlandbiodiversiteit te beschermen. Uit onderzoek blijkt echter dat agrarisch natuurbeheer gemengde resultaten oplevert. Maatregelen kunnen mislukken door gebrekkige beheervoorschriften of doordat niet voldoende leefgebied op geschikte locaties wordt gecreëerd. In Nederland is in 2016 de collectieve aanpak voor agrarisch natuur- en landschapsbeheer (ANLb) ingevoerd om een effectief beheer op geschikte locaties te krijgen. Boerencollectieven willen met name een grotere concentratie van maatregelen in gunstige gebieden voor doelsoorten bereiken. Na slechts zes jaar uitvoering is de evaluatie van de ecologische effectiviteit van de collectieve aanpak pas net begonnen. Onze studie draagt bij aan deze evaluatie.

Figuur 2: Gemodelleerde aantal individuen per perceel voor elk van de zeven bestudeerde soorten, het totale aantal soorten en het totaal aantal vogels; voor referentiepercelen, kruidenrijke akkerranden en vogelakkers. B = soorten die nestelen in randelementen (heggen, sloten en bomen), G = soorten die nestelen op de grond. De verticale balken geven 95%-betrouwbaarheidsintervallen aan (Grondard et al., 2023).

Doelstellingen en methoden van het onderzoek

In deze studie hebben we de effecten van twee ANLb maatregelen gericht op akkervogels - vogelakkers en kruidenrijke akkerranden - onderzocht. De maatregelen werden tussen 2017 en 2020 uitgevoerd door collectieven in de provincies Groningen, Drenthe en Flevoland. We vergeleken aantallen waargenomen vogels en het aantal waargenomen vogelsoorten op ANLb- percelen met maatregelen en referentiepercelen met conventionele praktijken (zie Fig. 1). Verschillen in aantallen vogels tussen ANLb- en referentiepercelen kunnen ook veroorzaakt worden door andere factoren dan perceelbeheer. Zo zal op een perceel in een open landschap waarschijnlijk een groter aantal veldleeuweriken voorkomen dan op een perceel omringd door bosgebieden, ongeacht de wijze waarop de percelen worden beheerd, omdat veldleeuweriken in open landschappen broeden. Om het effect van maatregelen te kunnen isoleren, hebben we rekening gehouden met het effect van de landschapskenmerken rond de percelen. Bovendien vergeleken we aantallen waargenomen vogels op naast elkaar gelegen ANLb-percelen met aantallen waargenomen vogels op geïsoleerde ANLb-percelen, om het effect van ruimtelijk geconcentreerde maatregelen te onderzoeken.

Positieve effecten op vier van de zeven doelsoorten, totale aantal soorten en totale aantallen vogels

We analyseerden zeven doelsoorten afzonderlijk, het totale aantal soorten en totaal aantal vogels (zie Fig. 2). Vergeleken met de referentiepercelen kwam op de kruidenrijke akkerranden een hoger aantal veldleeuweriken, geelgors, kneuen en torenvalken voor, een hoger aantal soorten en een hoger totaal aantal vogels. De voordelen van de vogelakkers bleven beperkt tot veldleeuweriken en het totale aantal vogels. De drie andere soorten (gele kwikstaarten, kieviten en scholeksters) profiteerden niet van de bestudeerde maatregelen. Landschapskenmerken waren een belangrijke verklarende factor voor de aantallen vogels. Soorten die op de grond nestelen vermeden landschappen met verticale structuren (bomen, gebouwen), wat niet het geval was voor soorten die in randelementen nestelen. Naast elkaar gelegen ANLb-percelen hadden geen hogere aantallen vogels dan geïsoleerde ANLb-percelen: het aantal geelgors individuen was zelfs lager.

Aanbevelingen voor ANLb maatregelen gericht op akkervogels

  1. Monitoring van de kwaliteit van het door ANLb gecreëerde leefgebied: om beter te begrijpen waarom kruidenrijke akkerranden en vogelakkers verschillende effecten hebben op bepaalde soorten en om zo de effecten van de maatregelen te kunnen verbeteren, is het nuttig de monitoring van ANLb maatregelen aan te vullen met observaties van het gecreëerde leefgebied, zoals de vegetatiestructuur, de samenstelling en de veranderingen tijdens het broedseizoen.
  2. Andere maatregelen voor soorten die op kale grond broeden: voor gele kwikstaarten, kieviten en scholeksters zijn andere beheeropties nodig. De huidige kruidenrijke akkerranden en vogelakkers zijn niet gunstig voor het voorkomen van deze soorten. Waarschijnlijk omdat de vegetatie te snel groeit aan het begin van het seizoen, terwijl deze vogelsoorten een voorkeur hebben voor kale of schaars begroeide bodems om te broeden.
  3. Evaluatie van mogelijke synergiën met ANLb maatregelen in andere leefgebieden: voor de bestudeerde maatregelen, regio's en soorten lijkt de ruimtelijke clustering van ANLb-percelen niet gunstig. Wij hebben echter alleen maatregelen op akkerland geanalyseerd. Clustering van maatregelen op akkerland met maatregelen op grasland of droge dooradering zou gunstig kunnen zijn, aangezien verschillende akkervogels ook van deze andere leefgebieden afhankelijk zijn om zich voort te planten, te foerageren of als schuilplaats. Verder onderzoek is nodig om na te gaan hoe deze maatregelen elkaar aanvullen.
  4. Fijnschalige ruimtelijke afstemming van maatregelen: omdat de doelsoorten verschillend op landschapskenmerken reageren, kunnen niet alle 16 soorten even goed bediend worden met dezelfde maatregelen. Daarom stellen wij voor dat collectieven zich richten op een subset van soorten waarvoor de lokale landschapskenmerken het gunstigst zijn en voor deze subset van soorten de meest gunstige ANLb maatregelen selecteren.

Auteurs: Nicolas Grondard (Environmental Systems Analysis Group, Wageningen University), Lenny van Bussel (Planbureau voor de Leefomgeving).

De gedetailleerde resultaten van de studie zijn beschikbaar in de wetenschappelijke publicatie: Grondard, N., Kleyheeg, E., Hein, L., Van Bussel, L.G.J., 2023. Effects of Dutch agri-environmental field margins and bird plots on cropland birds. Agriculture, Ecosystems & Environment 349.

Bronnen

(3)